Homepagina > Toerisme > Meer weten over Durbuy > Geografische kenmerken

Geografische kenmerken

  • Het grondgebied van de gemeente Durbuy strekt zich uit over drie verschillende geologische streken : de Condroz, de Famenne en de Ardennen. Het overgrote deel ligt echter in de Famenne, met een kleinere hoek in de Condroz in het noord-westen, en de eerste, beboste en steile heuvelruggen van de Ardennen in het oosten. In de vier windrichtingen komt de nieuwsgierige reiziger aan zijn trekken : het landschap verandert bij elke verplaatsing.

    De Ourthe-vallei – eigenlijk een grote, bochtige en beboste lijn door de streek – domineert natuurlijk het landschap. In het zuiden stroomt de Ourthe een beetje lui door een lange, brede vallei die door de leisteen uit het Famennien en het Frasnien zijn weg heeft gebaand. Op de bodem van deze vallei treft men een aangeslibde vlakte aan. In dit gedeelte vindt men vele grasweiden met hier en daar enkele bomen, of kleine bosjes die aangeven waar de rivier stroomt. Het landschap is heel variabel. De indrukwekkende pijl op de afgeknotte kerktoren van de Ste-Marguerite-kerk van Eneilles domineert aanvankelijk, dan zijn het de torens van de kerk en de kasteelhoeven van Grandhan die het overnemen.

    De vallei wordt ineens veel minder breed, net voor de Ourthe de stad Durbuy binnenvloeit. Dit kan men uitleggen door de aanwezigheid van de kalkrots uit het Givetien in de ondergrond. Het dal blijft diep tot in Barvaux. Daarna krijgt de Ourthe weer meer ruimte. Maar het landschap tussen Durbuy en Barvaux, met zijn bijna wilde, enge vallei aan de voet van de rotsen van Glawan, met zijn scherpe en rotsachtige heuvelruggen, met de valleiranden die nu eens zacht glooien, en dan weer gegetand lijken, wisselt steeds van uitzicht, en maakt het heel verleidelijk en attractief. Tot voorbij Bomal, en meer bepaald tot voorbij Petit-Bomal, kabbelt de Ourthe rustig verder, tot ze op de Roche-aux-Corneilles stoot. Achter deze hoge en duizelingwekkende kalkrots vinden we de ruïnes van de burcht van Logne.

    In de vallei, en rond de drie belangrijke polen, d.i. Durbuy (de oude stad), Barvaux en Bomal, treft men ook de overgrote meerderheid van de tertiaire activiteit van de gemeente aan.

    Om echt aan te voelen wat nu Durbuy en zijn omgeving zo uniek maakt, en om te begrijpen hoe het landschap gevormd is, moeten we even de grond induiken.

    400 miljoen jaren geleden bedekte een zee onze streken. Gedurende miljoenen jaren zijn er klei, zand en kalk afgezet op de bodem. Deze lagen zijn hard geworden en hebben drie soorten rots doen ontstaan : zachte leisteen, psammieten en hardere zandsteen, en duurzame kalksteen. De opeenvolging van rotsen die elk op hun eigen manier op de erosie reageren, legt in grote mate het bestaan van de fysische verschillen tussen de drie zones uit.

    Leisteen is een rots die erg broos is, en die gemakkelijk in fijne lagen gescheiden wordt, alleen al door de afvloeing van het regenwater. Deze rots ligt aan de oorsprong van de depressie van de Famenne. In het zuiden van de gemeente waar deze leisteen overal aanwezig is, vindt men kleiachtige, zware en vochtige grond. Dit is minder geschikt voor landbouw. Men treft dan veelal in deze zones dorpen aan waar weiden rond liggen. De te vochtige gronden, of degene die op steile hellingen liggen worden gebruikt om loof- of naaldbomen te planten...

    •In het centrum wisselen leisteenbanken af met kalkrotsen. Deze laatsten zijn hier in de meerderheid. Deze afwisseling is te wijten aan de werking van de aardlagen, die de streek zijn plooien en breuklijnen heeft bezorgd, en ook een opeenvolging van synclinalen en anticlinalen. Eén van de mooiste anticlinalen is te bezichtigen in het hart van Durbuy : de « Roche de la Falize » bestaat uit massieve dolomietische kalkrotsbanken. Ze is mooi recht en bijna symmetrisch, en de lagen hebben een koepelvormige structuur

    •In het noord-westen wisselen zandsteen en psammieten af met kalkrotsbanken. Vanaf hier vindt men de goede gronden van de Condroz, en een zuid-west naar noord-oost-oriëntatie van de ruimte. Een opeenvolging van heuvelruggen en depressies doet de streek lijken op een golfplaat. Dit relief komt overeen met de geologische opeenvolging van harde rotsen, zandsteen en psammieten, die de bergkammen vormen, en de zachtere, vooral kalkachtige rotsen, die dus de depressies vormen. In de Condroz vindt men op de « tiges » (Fr. : heuvelruggen) de dorpen, en de bossen aan de noordelijke helling. In de « chavées » (Fr. : depressies) liggen de kalkachtige en meer vruchtbare leemgronden. In deze laatsten vindt men dan ook de landbouwgronden en de weiden, maar ook de steengroeven. Het is de streek van de grote, vierkante hoeves, maar ook van kleinere boerderijtjes.

    •Het noord-oosten ligt op de « kalksteenrichel » (in het Frans : « Calestienne »), een smalle strook met voornamelijk kalkrotsen. Op sommige plaatsen vormt dit een opstapje naar de hogere Ardennen. De Ardennen dragen hier aan hun toppen een laag « puddingsteen », van Villers-Sainte-Gertrude tot in Wéris. Een deel van de ondergrond bestaat uit leisteen, maar de naam van de streek is afkomstig van het feit dat de ruggewervel uit kalkrotsen is gevormd. Deze is slechts enkele kilometers (2 tot 4) breed, en vormt een opeenvolging van heuvels die uit de leisteendepressie opsteken. De rotsen zijn van sedimentaire oorsprong, voornamelijk kalk- en leisteen. De bovengrond bestaat uit leemgronden, en een afwisseling van klei- en kalkhoudende gronden. Dit lijkt de vestiging van dorpen in de Late Steentijd bevorderd te hebben. Uit deze periode dateren bepaalde sporen in het landschap : de meest bekende zijn de dolmens (hunebedden) en de menhirs. Ze staan als een soort van wachtposten op het plateau tussen Izier en Oppagne.

    De vallei van de Ourthe en de plateaus ernaast werden gedurende lange tijd intensief uitgebaat vanwege de rijkdom van de ondergrond. Niet alleen de stenen werden aangewend, men zocht ook mineralen. Vanaf de Romeinse periode is het bestaan van verscheidene metaalhoudende sites bekend. Men heeft voornamelijk ijzererts, zoals limoniet, hematiet en of pyriet, in plaatsen als Durbuy, Barvaux, Wéris, Morville, Tohogne, Izier, Ozo, Heyd en Villers-Sainte-Gertrude gewonnen. De aanwezigheid van grote beboste oppervlaktes, van een dicht waternetwerk, en van de mineralen maakte het mogelijk dat een vroege metaalindustrie het licht zag. Tussen 1527 en 1575 bestonden er 34 ovens en smidsen in de streek van Durbuy. Men schat dat meer dan 2000 personen betrokken waren bij deze metaalproductie. Van deze periode blijven er slechts weinige sporen in het landschap, behalve dan hier en daar in de plaatsnamen. Zo zijn « Marteau » (hamer) bij Petithan, « Fermine » (ijzermijn) tussen Ferrières en Izier, « Vieux-Fourneau » (oude oven) tussen Izier en Fays...

    Korterbij Durbuy werd in Warre tussen 1830 en 1870 een grote ijzerhoudende ader uitgebaat, die zich over meer dan 1500 meter uitstrekte en die tot 10 000 ton gewassen mineralen zouden opgebracht hebben. De laatste pogingen om mijnen uit te baten in de streek liepen uit op mislukkingen. Zo kunnen we bijvoorbeeld de proefboringen vernoemen die in 1920 werden uitgevoerd door de nv Ougrée-Marhaye, op een plaats tussen Morville en Wéris, die « Rouges Terres » wordt genoemd.

    De flanken van de valleien zijn hier en daar letterlijk doorzeefd met steengroeven die nu verlaten zijn, en op een harmonieuze manier door het groen uitgegomd worden. Uit deze steengroeven is het « klein graniet » of « blauwe steen » gekomen, die als breukstenen in metswerk en als omkadering van muuropeningen dienden. Zo zijn er ook de « rode marmer » van Rome, waarvan de kleur te wijten is aan de aanwezigheid van ijzeroxyden; de « psammieten van de Condroz », die als vloerstenen, tegels, breukstenen, en grind werden aangewend, maar ook de de verschillende kalkrotsen en dolomietsteen voor kalkbreukstenen en de verschillende gruizelstenen (die vandaag nog uitgebaat worden in de steengroeve van “La Préalle” in Heyd). Elders vindt men de puddingsteen van Wéris – een conglomeraat van rolstenen uit quartz, zandsteen, silex, samengehouden door een fijn en hard natuurlijk zandcement- die werd gebruikt door de mensen uit het Neolithicum om de hunebedden en menhirs te bouwen. Tot voor de Eerste Wereldoorlog werd hij nog gebruikt in de hoogovens van de zware metaalindustrie van Luik (Cockerill) en in Lotharingen (Bekken van Briey).

    De lokale baksteen, die - zoals dikwijls in de Famenne - gemengd was met kalk, werd ook aan de grond onttrokken, evenals de klei om het houten vakwerk te beplaasteren. Een schoolvoorbeeld hiervan is de Korenhalle van Durbuy, maar er zijn wel meer huizen met of in houten vakwerk in de gemeente. De voorgevels en vooral de zijgevels waren « faictes de bois plastrées de terre » (gemaakt uit bepleisterd hout).

    De ondergrond uit kalk laat gemakkelijk het water diep doordringen, en heeft de vorming van grotten bevorderd. In deze laatste heeft de primitieve mens onderkomen gevonden. Maar ook andere karstverschijnselen zijn vast te stellen : verdwijngaten, het weer aan de oppervlakte komen van rivieren op de leisteenbanken, diepe kloven, dolines (kleine komvormige dalen), … Voorbeelden hiervan zijn het weer bovenkomen van de rivier in Bohon, et de vele verdwijngaten, waarrond vele legenden zijn ontstaan.

    De verscheidenheid van de ondergrond, gaande van leisteen, kalk, zandsteen tot psammieten, een vruchtbare grond, verscheidene drinkwaterbronnen, en een beschermend klimaat zijn de condities voor een gevarieerde en opmerkelijke flora en fauna. Het zachte klimaat, minder regenachtig en minder hard dan in de Ardennen, en een erg aantrekkelijk landschap maken van de streek van Durbuy een gastvrije streek, en sinds lang, één van de mooiste streken van Wallonië.

  Durbuy, c'est aussi

Tourisme
Les infos touristiques
Economie
La vie économique
Japon
Relations belgo-japonaises
Mobilité
Vos déplacements
Enfance
Adresses et conseils
Enquêtes publiques
Dossiers et informations
Conseil communal
Prochain conseil communal
Info Travaux
Les travaux en cours
CPAS
Service Energie